Redelijke termijn voor uitspraak op bezwaar bedraagt ook voor gemeenten half jaar

Gemeenten hebben op grond van een wettelijke bepaling een ruimere termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar dan de binnen het bestuursrecht gebruikelijke termijn van zes weken; voor gemeenten eindigt de termijn bij de afloop van het kalenderjaar waarin het bezwaar is ingediend of, indien het bezwaar is ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar, zes weken na de indiening van dat bezwaar. De achtergrond van deze verlengde termijn is gelegen in de mogelijke piekbelasting die in bezwaarprocedures kan optreden bij WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. De Hoge Raad is van oordeel dat ook voor gemeenten geldt dat voor de behandeling van een bezwaarschrift een termijn van een half jaar als 'redelijk' geldt. Daaraan kan de andersluidende wettelijke termijn niet afdoen. De 'redelijke' termijn van een half jaar geldt immers ook indien de wettelijke termijn van zes weken voor het doen van uitspraak op bezwaar van toepassing is. 

Dit oordeel van de Hoge Raad past in de inmiddels bekende jurisprudentie rond het - op verzoek - toekennen van een immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Die jurisprudentie is inmiddels veelomvattend en komt er samengevat op neer dat een belanghebbende aanspraak kan maken op een immateriële schadevergoeding indien:
- de termijn tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak van de Rechtbank meer bedraagt dan 2 jaar;
- de termijn tussen ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak van het Gerechtshof - indien na beroep ook hoger beroep is ingesteld - meer bedraagt dan 4 jaar. 
Indien de aldus bepaalde redelijke termijn is overschreden komt de belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van € 500 per halfjaar - of gedeelte daarvan - waarmee die redelijke termijn is overschreden. Voor zover daarbij de bezwaartermijn langer heeft geduurd dan een half jaar, komt de immateriële schadevergoeding voor rekening van het bestuursorgaan; voor zover de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de procedure bij de Rechtbank of bij het Gerechtshof, dan komt de immateriële schadevergoeding ten laste van de staat. 
Opmerking verdient nog dat geen aanspraak op een immateriële schadevergoeding bestaat indien de redelijke termijn in de bezwaarfase is overschreden terwijl de bezwaarfase niet is gevolgd door een beroepsprocedure bij de Rechtbank.  
(HR 30 oktober 2015, nr. 14/06107, ECLI:NL:HR:2015:3173)