Hoge Raad laat fictieve verkrijging bij bovenmatige rente op vordering in stand

Met ingang van 2010 geldt ingevolge artikel 9, lid 2 van de Successiewet 1956 dat een bovenmatige rente op onderbedelingsvorderingen bij het overlijden van de langstlevende tot een fictieve verkrijging leidt. Van een bovenmatige rente is sprake indien en voorzover die rente uitgaat boven een samengestelde rente van 6%. De regeling in artikel 9, lid 2 van de Succeswet is opgenomen zonder overgangsbepaling; als gevolg daarvan ziet de bepaling ook op nalatenschappen die bij de invoering van deze bepaling reeds zijn opengevallen. In de onderhavige procedure stelde de belanghebbende dat als gevolg van het ontbreken van overgangsrecht, inhoudende een eerbiedigende werking voor reeds opgevallen nalatenschappen, de bepaling van artikel 9, lid 2 van de Successiewet in strijd komt met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 juni 2015 geoordeeld dat dit standpunt niet juist is. Volgens de Hoge Raad kan niet worden gezegd dat de wetgever met de invoering van artikel 9, lid 2 van de Successiewet geen legitiem doel heeft nagestreefd. Evenmin is sprake van willekeur noch komt het nieuwe artikellid in strijd met het vereiste van 'lawfullness'. Artikel 1 van het Eerste Protocol vereist niet dat de invoering van een regeling, zoals artikel 9, lid 2 van de Successiewet, een overgangsbepaling bevat die in een eerbiedigende werking voorziet. De wetgever heeft de hem in dit verband toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden, aldus de Hoge Raad. 
Hoge Raad 19 juni 2015, nr. 14/04081, ECLI:NL:HR:2015:1673