Rechtsbescherming: niet prijsgegeven stellingen blijven onderdeel van de procedure

In een recent arrest oordeelde de Hoge Raad dat een in een eerdere fase van de procedure ingenomen stelling alsnog behandeld moet worden zolang die stelling niet is prijsgegeven.

De casus was als volgt: een belanghebbende stelde in bezwaar - tegen een aan hem opgelegde aanslag leges voor de aanvraag van een bouwvergunning - primair dat de aanslag diende te worden vernietigd omdat de verordening onverbindend was. Subsidiair stelde de belanghebbende dat de legesaanslag diende te worden verminderd omdat de aanslag - gebaseerd op de bouwkosten - onjuist was berekend. In het beroep voor de Rechtbank herhaalde de belanghebbende beide grieven; de rechtbank gaf belanghebbende gelijk op het primair gestelde punt. Daarop tekende de gemeente hoger beroep aan.
In de procedure in hoger beroep betrof het geschil in de eerste plaats het primair gestelde punt van belanghebbende. Ter zitting bij het Hof voerde belanghebbende de in bezwaar en beroep subsidiair gestelde grief nog aan; ongetwijfeld voor het geval het Hof de gemeente op het primaire punt gelijk zou geven. Dit laatste deed het Hof ook. Met betrekking tot de subsidiair gestelde grief van belanghebbende oordeelde het Hof dat belanghebbende hiermee te laat was en dat het zo laat stellen hiervan in strijd kwam met de goede procesorde; het Hof oordeelde deze grief tardief. De Hoge Raad was het met dit oordeel van het Hof niet eens en overwoog: "Aangezien het Hof de primaire stelling van belanghebbende verwierp was het gehouden die subsidiaire stelling alsnog te behandelen. De omstandigheid dat deze stelling niet is vermeld in het in hoger beroep ingediende verweerschrift brengt niet mee dat belanghebbende het door hem in eerdere instantie ter zake ingenomen standpunt heeft prijsgegeven. Evenmin kan deze omstandigheid het oordeel dragen dat het bij pleidooi in hoger beroep herhalen van die stelling onverenigbaar is met een goede procesorde." 
De Hoge Raad beschermt hier de rechten van de belanghebbende op juiste wijze; wij menen dat dit oordeel in overeenstemming is met eerdere jurisprudentie inhoudend dat een grief eerst geen behandeling behoeft indien hiervan ondubbelzinnig afstand is gedaan.
HR 20 november 2015; nr. 14/06088, ECLI:NL:HR:2015:3311