Verhuurderheffing: ruime uitleg begrip 'voor verhuur bestemde woning'

Met betrekking tot de per 1 januari 2013 ingevoerde verhuurderheffing komen inmiddels de eerste uitspraken van belastingrechters beschikbaar met het antwoord op de vraag welke objecten in het kader van deze nieuwe belasting kwalificeren als huurwoning. Twee recente uitspraken wijzen uit dat het begrip huurwoning - waaronder in het kader van de verhuurderheffing wordt verstaan een voor de verhuur bestemde woning - ruim wordt uitgelegd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde onlangs dat zowel anti-kraakwoningen als woningen die verhuurd worden met toepassing van de Leegstandswet onder de verhuurderheffing vallen. Gerechtshof Den Haag oordeelde recent dat ook ter zake van hofjeswoningen, die tegen een zeer lage, bijna symbolische, vergoeding ter beschikking werden gesteld, de verhuurderheffing kan worden geheven.
Beide gerechten overwegen dat het begrip verhuur moet worden opgevat overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:201 BW; uit de wetsgeschiedenis van de verhuurderheffing blijkt niet dat de wetgever een ander begrip verhuur voor ogen stond dan in genoemd artikel 7:201 BW. 

Woningen die met toepassing van de Leegstandwet tijdelijk worden verhuurd vallen toch onder de verhuurderheffing omdat niet van belang is welke de uiteindelijke bestemming is die de eigenaar met die woningen voor ogen heeft. Woningen onder de Leegstandwet worden slechts tijdelijk verhuurd in afwachting van verkoop of van sloop; er is dan toch sprake van verhuur, aldus de Rechtbank. De Rechtbank overweegt voorts nog dat de wetgever deze tijdelijk verhuurde woningen niet heeft uitgezonderd van de verhuurderheffing.

Met betrekking tot anti-kraakwoningen stelde de belanghebbende dat geen sprake was van verhuur maar van bruikleen en dat om die reden geen verhuurderheffing mogelijk was. Dat standpunt heeft de Rechtbank verworpen. De Rechtbank oordeelde dat het verschil tussen verhuur en bruikleen vooral zit in de (bij verhuur) overeengekomen tegenprestatie door de gebruiker van de woning; voor bruikleen is die tegenprestatie geen vereiste. In het hier berechte geval betaalden de gebruikers van de anti-kraakwoningen maandelijks een gebruiksvergoeding aan de eigenaar van de woningen. Volgens de rechter diende deze contractueel afgesproken (niet symbolische) vergoeding te worden gezien als de in artikel 7:201 BW bedoelde tegenprestatie zodat in civielrechtelijke zin sprake was van huur en verhuur.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 oktober 2015, nr. AWB 14/6140, ECLI:NL:RBZWB:2015:7034 (NB: tegen deze uitspraak is hoger beroep aangetekend)

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in vergelijkbare zin met betrekking tot het gebruik van hofjeswoningen; deze woningen waren door een beheerstichting tegen een zeer lage maandelijkse vergoeding in gebruik gegeven aan vrouwen die daarvoor op grond van hun financiële positie in aanmerking kwamen. Ook hier oordeelde de rechter dat deze beperkte, in casu zelfs zeer beperkte, vergoeding diende te worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de in gebruik gegeven woning.
Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2016, nr. BK-15/00463, ECLI:NL:GHDHA:2016:62 (NB: tegen deze uitspraak kan nog beroep in cassatie worden ingesteld). 

Enige kanttekening bij de hiervoor aangehaalde rechterlijke uitspraken is toch wel op zijn plaats. Ondanks dat de rechters in deze uitspraken duidelijke en begrijpelijke overwegingen aan hun beslissingen ten grondslag hebben gelegd, is de vraag gerechtvaardigd of de verhuurderheffing naar de bedoeling van de wetgever wel ziet op woningen zoals in deze procedures aan de orde. Verdere jurisprudentie zal dit duidelijk moeten maken.