Hoge Raad: recreatiewoningen zijn voor WOZ/OZB ook woningen

Recreatiewoningen zijn ook woningen. Dit klinkt als een open deur maar in het kader van de heffing van OZB diende de Hoge Raad eraan te pas te komen om dit vast te stellen. Dat deed ons hoogste rechtscollege vandaag in een tweetal arresten. Het belang hiervan ligt uiteraard bij de omvang van de verschuldigde OZB die, als gevolg van deze arresten, beduidend lager kan uitvallen.
De omvang van die verlaging is weer afhankelijk van de feitelijke situatie. 

De procedures waar het hier om gaat betreffen beide recreatieparken. Het ene park omvat 52 recreatiewoningen waarvan er 9 worden verhuurd. Het staat tussen partijen vast dat de WOZ-waarde van de recreatiewoningen gezamenlijk meer dan 70 bedraagt van de WOZ-waarde van het gehele park.
Het andere park bestaat uit 70 recreatiechalets en 133 onroerende stacaravans. Of de WOZ-waarde van al deze recreatiewoningen meer dan 70% bedraagt van de WOZ-waarde van het totale park, is niet bekend. Die 70%-norm is van groot belang omdat op grond van wettelijke bepalingen het gehele park voor de OZB-heffing als woning dient te worden aangemerkt indien tenminste 70% van de WOZ-waarde van het gehele park wordt toegerekend aan de WOZ-waarde van 'onroerende zaken die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden'. 

De rechtbank oordeelde in deze procedures dat recreatiewoningen slechts tot woning kunnen dienen indien deze zijn bestemd voor permanente bewoning; voor alle recreatiewoningen in deze procedures geldt dat permanente bewoning op grond van gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan. De rechtbank concludeerde daarop dat de recreatiewoningen voor de OZB geen woningen zijn. 

De Hoge Raad oordeelt anders en stelt dat het gaat om de aard en inrichting, en daarmee de bestemming van de woningen. Omdat de onderhavige woningen op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen, is sprake van woningen. De omstandigheid dat de woningen niet permanent bewoond mogen worden doet daaraan niet af.  Conclusie: in de onderhavige procedures zijn de recreatiewoningen ook voor de OZB woningen. 

Resultaat: met betrekking tot het eerst bedoelde recreatiepark kwalificeert het gehele park voor de OZB als 'woning'. Dit betekent: vrijstelling van OZB-gebruikersbelasting en - veelal - een lager tarief voor de OZB-eigenarenbelasting. Met betrekking tot het andere park dient de verwijzingsrechter te bepalen of aan het hiervoor genoemde 70%-criterium wordt voldaan. Zo niet, dan kan met toepassing van een ander wettelijk voorschrift toch een verlaging van de te betalen OZB worden bereikt. 

NB: in alle gevallen is de feitelijke situatie van belang; alleen op basis van een beoordeling van de feiten kan worden bezien wat de betekenis is van deze arresten met betrekking tot specifieke recreatie- of vakantieparken. 

Bron: HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2084 en ECLI:NL:HR:2016:2085