Rechter kan WOZ-waarde verhogen, aldus Hoge Raad

Het wachten was op het oordeel van de Hoge Raad: kan de rechter een WOZ-waarde nu wel of niet verhogen als een belanghebbende dat bepleit? Het antwoord is er nu: ja, dat kan, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 20 oktober 2017. 

De vraag is actueel sinds 1 oktober 2015. Sinds die datum is het op grond van een gewijzigde regeling mogelijk dat een belanghebbende - die een WOZ-beschikking heeft ontvangen - daartegen bezwaar of beroep aantekent op de grond dat de vastgestelde waarde te laag is. In het fiscaal bestuursrecht was het tot voor kort ondenkbaar dat een belanghebbende met succes een procedure zou kunnen voeren waarbij voor een hogere belastingaanslag wordt gepleit; bij een dergelijk pleidooi heeft een belanghebbende immers geen belang en daarom volgde in die gevallen een niet-ontvankelijk verklaring van het beroep. Dat gold eveneens bij een pleidooi voor een hogere WOZ-waarde; tot 1 oktober 2015. Want nu, zo oordeelt de Hoge Raad, kan men wel belang hebben bij een hogere WOZ-waarde; de wetgever heeft het zo gewild. 

Een bezwaar of beroep met als inhoud dat de WOZ-waarde hoger moet worden vastgesteld kan nu niet meer op die grond niet-ontvankelijk verklaard worden. Bij een succesvol pleidooi zal de rechter de WOZ-waarde ook daadwerkelijk hoger kunnen vaststellen. 

Dat laatste betekent niet dat de aanslagen OZB ook omhoog gaan; dat kan alleen maar door middel van navordering van OZB en aan het vereiste van navordering wordt, zo oordeelt de Hoge Raad, niet voldaan. Navordering van OZB is alleen mogelijk indien de WOZ-waarde is herzien door middel van een herzieningsbeschikking waarvoor een nieuw feit is vereist of indien de aanslagen OZB reeds waren vastgesteld voordat de WOZ-beschikking werd vastgesteld en die WOZ-beschikking een hogere waarde kent dan de waarde die bij de aanslagen OZB als maatstaf was gehanteerd. Met andere woorden: navordering is in beginsel alleen maar mogelijk op grond van een door de heffingsambtenaar vastgestelde herzieningsbeschikking. In bezwaar of beroep gaat het om een verhoging van een reeds vastgestelde WOZ-beschikking en dan is navordering van OZB niet mogelijk. Vreemd is dat niet; de wettelijke waarborgen voor navordering zijn zo relevant dat daaraan in een geval als het onderhavige niet voorbij kan worden gegaan. 

De beslissing van de Hoge Raad is van groot belang voor de praktijk; niet omdat verwacht wordt dat veelvuldig in bezwaar- of beroepsprocedures een hogere WOZ-waarde zal worden bepleit maar wel omdat onvoldoende duidelijk was op welke wijze in de rechtspraak met dit nieuwe fenomeen rond een te laag vastgestelde WOZ-waarde moet worden omgegaan. Dit is nu duidelijk. Nog niet duidelijk is op welke wijze een procedure bij de rechter moet worden ingericht indien sprake is van twee belanghebbenden die een tegengesteld belang hebben, dus waarbij de ene belanghebbende een lagere WOZ-waarde bepleit en de andere belanghebbende een hogere WOZ-waarde. Dit zal zich bijvoorbeeld kunnen worden in relatie tot de huurprijs van een woning: huurder en verhuurder kunnen dan een tegengesteld belang hebben in een procedure. Wellicht zal dit niet vaak voorkomen, maar duidelijk is nu wel dat in zo'n situatie beide belanghebbenden een belang bij een dergelijke procedure hebben. Dat belang kan gelegen zijn buiten de fiscaliteit. 
De Hoge Raad oordeelde immers in het onderhavige arrest ook dat een belanghebbende geacht wordt belang te hebben wij een hogere WOZ-waarde indien deze dat stelt. Niet vereist is dat dat belang samenhangt met het gebruik van de WOZ-waarde in een situatie waarin de wetgever het gebruik van de WOZ-waarde verplicht heeft gesteld. 

Hoge Raad 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656