NOB: Wetsvoorstel verbetering rechtsbescherming WOZ houdt ook verslechtering van rechtsbescherming in

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) heeft vandaag haar reactie ingezonden op de internetconsultatie van het wetsvoorstel ‘Wet verbetering rechtsbescherming WOZ’. Hoewel de NOB op een enkel punt de met de titel van het wetsvoorstel beloofde verbetering van de rechtsbescherming onderkent, bevat het voorstel op belangrijke punten ook een verslechtering van die rechtsbescherming. Een heroverweging van het wetsvoorstel is daarom aan de orde, aldus de NOB.

Het meest in het oog springende punt waarop de NOB bedenkingen heeft betreft het vervallen van de mogelijkheid om in de loop van het belastingjaar aan de gemeente te verzoeken een beschikking vast te stellen. Dit verzoek kan thans worden gedaan door de degene die in de loop van het jaar belang krijgt bij een reeds vastgestelde WOZ-waarde.
Het gaat hierbij in de eerste plaats om de nieuwe eigenaar of de nieuwe gebruiker van een onroerende zaak; derhalve om degene die ná 1 januari van het belastingjaar (dit is de peildatum voor het vaststellen van de WOZ-beschikking) een onroerende zaak in eigendom verkrijgt of in gebruik neemt. Deze nieuwe eigenaar of gebruiker heeft er financieel belang bij dat de WOZ-waarde op het juiste niveau is vastgesteld. Op dit moment kan die nieuwe eigenaar of nieuwe gebruiker om uitreiking van een WOZ-beschikking vragen - en daartegen bezwaar aantekenen - indien de eerder voor dat jaar genomen WOZ-beschikking naar zijn of haar oordeel niet de juiste waarde bevat.
In de tweede plaats gaat het hier om de erfgenaam. Indien een onroerende zaak in de loop van het jaar - hetgeen altijd het geval is - krachtens erfrecht overgaat van erflater op erfgenaam, dan is de hoogte van de WOZ-waarde bepalend voor de verschuldigde erfbelasting. Die erfbelasting varieert van 10% tot 40% over de waarde van de nalatenschap; de belasting bedraagt dus ook 10% tot 40% over de WOZ-waarde van de verkregen onroerende zaak. Het is evident dat een juiste WOZ-waarde dan van groot financieel belang is. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de wetgever voorstelt om de erfgenaam in een dergelijke situatie het recht te onthouden op uitreiking van een nieuwe WOZ-beschikking en daarmee het recht van bezwaar en beroep tegen de WOZ-waarde.

Ook het wijzigen van de mogelijkheid tot ambtshalve vermindering van een WOZ-waarde houdt een verslechtering van de rechtsbescherming in. Vermindering zal nog wel mogelijk zijn maar alleen als de waarde 30% of meer afwijkt van de juiste waarde. Het ontbreekt aan een goede onderbouwing waarom een waarde - die bijvoorbeeld 20% te hoog is - niet zou moeten worden verminderd.

Niet alleen de NOB heeft een op onderdelen kritische reactie ingezonden; ook andere instanties hebben vergelijkbare geluiden laten horen.

Het wetsvoorstel is een reactie op de sedert 1 oktober 2015 bestaande mogelijkheid om bezwaar in te dienen op de grond dat de WOZ-waarde te laag is vastgesteld. Hierdoor kunnen belanghebbenden bij een onroerende zaak in voorkomende gevallen tegengestelde belangen hebben bij de WOZ-waarde. Het wetsvoorstel beoogt hiervoor een regeling te treffen. In de praktijk blijkt echter dat tegengestelde belangen zich niet of nauwelijks voordoen, zo signaleert de NOB. Evenmin wijst de jurisprudentie uit dat hier sprake is van een probleem of van een additionele werkdruk voor de rechterlijke macht. Daarmee rijst bij ons de vraag voor welk probleem dit wetsvoorstel een oplossing beoogt te zijn.

Het wetsvoorstel met toelichting en de daarop ingekomen reacties zijn raadpleegbaar op https://www.internetconsultatie.nl/rechtsbeschermingwoz
De reactie van de NOB leest op u op NOB-reactie