Fiscaal procesrecht: exceptieve toetsing en het horen in bezwaar

Van tijd tot tijd verschijnen er uitspraken van de belastingrechter die een specifiek procesrechtelijk karakter hebben. Onderstaand een tweetal recente uitspraken, relevant bij de heffing van lokale belastingen.

Hoge Raad: exceptieve toetsing bij lokale belastingen

In beroepsprocedures over door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingaanslagen staat met regelmaat de verbindendheid van de geldende belastingverordening ter discussie. Naast het feit dat een belastingverordening wegens formele gebreken onverbindend kan worden geoordeeld, kan de verordening ook in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen. De rechter toetst dan aan de materiële rechtsbeginselen: het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. In de praktijk vat de rechter deze taak met terughoudendheid op; maar als de rechter strijdigheid met een van deze beginselen vaststelt zal de verordening onverbindend worden verklaard. De opgelegde aanslag wordt dan vernietigd.

Uit een zeer recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat de belastingrechter bij zijn beoordeling ook het beginsel van een zorgvuldige besluitvorming of het beginsel van een deugdelijke motivering kan betrekken. Hierbij kan het gaan om het antwoord op de vraag of de gemeenteraad bij de totstandkoming van de verordening de gerechtvaardigde belangen van (een bepaalde groep van) belastingplichtigen zorgvuldig heeft meegewogen. Als daarvan geen sprake blijkt te zijn zal de verordening weliswaar niet onverbindend worden verklaard maar kan de rechter de toepassing van die verordening voor die specifieke groep van belastingplichtigen wel buiten toepassing laten. In dat geval wordt de aanslag ook vernietigd. 

Deze toetsing wordt wel aangeduid met de term ‘exceptieve toetsing’. 

Ongetwijfeld zal in de komende jaren nadere jurisprudentie op dit punt het licht zien. Het zal dan niet alleen lokale belastingen betreffen maar in bredere zin de wetgeving van lokale overheden; ook de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft immers in 2020 de exceptieve toetsing van een algemeen verbindend voorschrift toegepast.
Gemeenten en waterschappen zullen hierdoor worden gedwongen om bij het vaststellen van verordeningen zorgvuldiger te werk te gaan en om daarbij de gerechtvaardigde belangen van betrokkenen af te wegen. 

Hoge Raad 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:34

Hoge Raad: geen verplichting tot horen in bezwaarfase indien bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is

Een belastingplichtige die tegen een belastingaanslag bezwaar heeft aangetekend wordt op zijn verzoek gehoord voordat de heffingsambtenaar (of: de inspecteur) uitspraak doet op dat bezwaar. De heffingsambtenaar kan echter afzien van het horen indien het ingediende bezwaar (1) kennelijk niet-ontvankelijk is, (2) kennelijk ongegrond is, of (3) indien aan het bezwaar volledig wordt tegemoetgekomen, zo volgt uit art. 7:3 Awb. Aan deze bevoegdheid van de heffingsambtenaar om af te zien van het horen doet niet af dat de belanghebbende heeft verzocht om te worden gehoord.

Niet-ontvankelijk bezwaar

Een bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk indien het bezwaar te laat – dat wil zeggen: buiten de zes-weken-termijn – is ingediend. Uitzondering hierop vormt de situatie waarin belanghebbende niet kan worden verweten in verzuim te zijn geweest. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien een belanghebbende eerst na afloop van die zes-weken-termijn kennis heeft kunnen nemen van de aanslag. Belanghebbende zal dit in zijn bezwaarschrift dan wel gemotiveerd moeten aangeven.
Als uit het bezwaarschrift niet blijkt waarom het bezwaar te laat is ingediend behoeft de heffingsambtenaar de belanghebbende niet te horen alvorens hij uitspraak op bezwaar doet.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft begin 2021 bevestigd dat in een situatie waarin in het bezwaarschrift niet gemotiveerd wordt gesteld waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend, de heffingsambtenaar de belanghebbende niet behoeft te horen over zijn voornemen om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De handelwijze van de heffingsambtenaar komt in dat geval niet in strijd met Unierechtelijk beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging. 

Hoge Raad 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:84

Heeft u vragen? 
Als u vragen heeft naar aanleiding van het vorenstaande neemt u dan gerust contact met ons op.